De bijdrage van eigen kinderen aan het ‘gewone leven’ in een pleeggezin of gezinshuis is ontzettend groot. In hun alledaagse aanwezigheid laten ze ongekunsteld zien hoe samen leven in een gezin wordt ingevuld. Zijn we ons als jeugdzorgorganisaties, pleegouders en gezinshuisouders hiervan voldoende bewust? Geven we hun positie voldoende erkenning? En hebben we ook oog voor de risico’s die dat met zich meebrengt?

 

De aanleiding om dit artikel te schrijven, is een schokkende brief die de Rudolphstichting in april 2012 ontving van een mevrouw die in haar kindertijd in De Glind woonde. Haar ouders waren in de jaren 70 gezinshuisouder in het jeugddorp. Eén van de jongens die in het gezin van haar ouders was geplaatst, heeft mevrouw in haar peuter- en kleutertijd seksueel misbruikt. Geen enkel kind zou dit mogen meemaken! Daarom wil de Rudolphstichting, via dit artikel, de aandacht van professionals in de jeugdzorg (pleeg- en gezinshuisouders, voogden en andere hulpverleners) vragen voor de positie van de eigen kinderen.

 

Open deur?

De Rudolphstichting heeft door een onafhankelijk persoon1 onderzoek laten doen naar deze situatie. Hieruit blijkt dat er geen situaties bekend zijn, vergelijkbaar met die van deze mevrouw. De personen c.q. organisaties die daarover zijn bevraagd, constateerden dit tot hun eigen verrassing. Daarom juichen zij toe dat hier aandacht aan geschonken wordt. Het lijkt een open deur om meer aandacht te vragen voor de positie van eigen kinderen. Echter, de brief van deze mevrouw bevestigt dat het een groep is die in het verleden -en ook nu nog- te vaak vergeten wordt. Dat constateren we binnen de Rudolphstichting, en we zien dat ook bij andere organisaties gebeuren. Daardoor is het vragen van aandacht voor deze groep kinderen binnen een pleeggezin of gezinshuis, minder een open deur dan het in eerste instantie lijkt.

 

Invisible carers

Naar schatting wonen in meer dan de helft van de pleeggezinnen ook eigen kinderen, dezelfde cijfers gelden voor gezinshuizen. De komst van een pleegbroer of –zus (of meerdere pleegbroers en -zussen), betekent vaak een grote verandering in het gezin. ‘Af en toe ben ik het flink zat, omdat je altijd kinderen hebt waar je rekening mee moet houden, omdat ze anders zijn of omdat je niet zomaar alles kan zeggen tegen hun’, zegt een kind wiens ouders een gezinshuis in De Glind hadden2. Dagblad Trouw citeert in artikel over pleegzorg hoogleraar Hans Grietens: ‘Ze blijven vaak onzichtbaar. 'Invisible carers' worden ze in Engeland ook wel genoemd. Ze dragen toch een deel van de zorg mee’3. Dat eigen kinderen een belangrijk aandeel leveren, wordt bevestigd in een onderzoek naar gezinshuizen in Nederland. Gezinshuisouders plaatsen hun eigen kind op de derde plaats in de top 5 van belangrijke steunfiguren voor het opgenomen kind4.

 

Een thuis voor elk kind

De Rudolphstichting vindt dat uithuisgeplaatste kinderen in een gezinsvorm moeten kunnen opgroeien. Omdat we geloven dat het gewone van een gezin, iets groots kan betekenen in een gebroken kinderleven. Een liefdevolle en veilige gezinssituatie willen we voor álle kinderen, ook voor de eigen kinderen van pleeg- of gezinshuisouders.

 

Wij denken dat de pleegouders of de gezinshuisouders de eerste verantwoordelijkheid hebben om de positie van hun eigen kinderen in het oog te hebben en te houden. Zij kennen hun eigen kind immers het beste. Als jeugdzorgorganisaties en als professionals die in pleeggezinnen of gezinshuizen werken, hebben wij de verantwoordelijkheid om de opvoeders hierin te ondersteunen. “Ze blijven natuurlijk wel iets meer aandacht geven aan de pleegkinderen. Soms wil je wat zeggen en dan komt er zo’n kind tussen en dat is wel irritant. Maar voor de rest, ik heb hele goede ouders,” aldus een kind dat meewerkte aan hetzelfde interview als waaruit hierboven is geciteerd.

 

Hoe verder?

Eigen kinderen zijn ook kinderen in al hun kracht en kwetsbaarheid. Laten we hun kracht en rol in het gezin zichtbaar maken, door o.a. onderzoek en workshops/trainingen voor pleeg- en gezinshuisouders en andere professionals in de zorg voor jeugd te ontwikkelen.

 

Handvatten om hier verder over na te denken of te praten, worden ons aangereikt in bijvoorbeeld het onderzoek ‘Wennen in je pleeggezin’ van Stichting Alexander in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam. Zowel pleegkinderen als eigen kinderen in de leeftijd van 6 – 22 jaar zijn geïnterviewd. De resultaten van het onderzoek en de praktische instrumenten die op basis daarvan worden ontwikkeld, worden in het najaar van 2012 gepresenteerd. Verder biedt Gezinshuis.com, franchiseorganisatie voor gezinshuizen, een ochtend aan over ‘Eigen kinderen in je gezinshuis’. En zo zijn er meer handvatten om te signaleren en met elkaar in gesprek te blijven.

 

Het leven in een pleeggezin of gezinshuis vraagt om alertheid voor het welbevinden van álle kinderen. Alertheid van alle betrokkenen; van pleeg- en gezinshuisouders, begeleiders en jeugdzorgorganisaties. De ervaring van deze mevrouw spreekt voor zich.

 

1 De heer J. Zandijk

2 Kuyk, Elza (2003). Interview “eigen kinderen” in de gezinshuizen van Bredervoort in De Glind.

3 Wijngaarden, Rachel van (20 oktober 2011). ‘O mam, hij blijft toch niet?’, Trouw.

4 Rudolphstichting & Gezinshuis.com (2011). Factsheet Gezinshuizen, Gezinshuizen in Nederland; een verkenning.

 

De Rudolphstichting heeft compassie voor kwetsbare kinderen en wenst dat elk uithuisgeplaatst kind de kans krijgt om op te groeien tot een zelfredzame en evenwichtige volwassene.